Wijnbouw in Italië terug naar Introductie tot Italiaanse wijnen

2. Wijnbouw in Italië

De wijnbouwgebieden van Italië laten een grote diversiteit aan bodemsoorten zien. Dit gaat van vulkanische grond op de hellingen van de Etna en de Vesuvius tot morene in het noorden. Vroeger werd er niet veel belang besteed aan het verband tussen bodemsoort en de gebruikte druif. In heuvelachtig gebied is de grond echter armer, met een goede afwatering en daardoor zeer gechikt voor de wijnbouw.

De verscheidenheid van klimaat, bodemsoort en wijnstokken betekent dat er onvermijdelijk veel manieren zijn om aan wijnbouw te doen in Italië. Om het overzicht te behouden kunnen we ze in twee groepen onderverdelen.

In het midden en het noordoosten van Italië werden de stokken van oudshet hoog opgebonden. De Etrusken gebruikten bomen als steun. De beplanting was niet erg dicht en door het weinige snoeien was de oogst groot. Zolang de boeren relatief weinig aandacht gaven aan hun druiven was deze niet efficiënte manier aanvaardbaar. Door de hogere trend naar beter kwaliteit is deze methode nu verdwenen. Invloed van de Etruskische wijnbouw kunnen we nog vaststellen in de hoge latwerken waar de stokken langs geleid worden.

De Griekse bewoners van het Italiaanse schiereiland plantten wijngaarden met uitsluitend druiven aan. De wijnstokken werden laag geleid en stonden dicht bij elkaar. Dit leverde een lagere opbrengst maar wel een beter kwaliteit. Dit systeem is in het noordwesten en het zuiden nog steeds geliefd. De wijnboeren leiden de wijnstokken langs draden waarbij ze het cordonsysteem (spalliera in het Italiaans)en het guyotsysteem gebruiken. Voor kwaliteit worden alleen deze systemen toegepast. Doordat de kans op rotting veel kleiner is in het zuiden, het hete klimaat zorgt hiervoor, laat men dikwijls de wijnstokken in struikvorm (albarello) groeien.