De sociale en economische achtergrond van de kunst van Florence, Rome en Venetië in de 16de eeuw
De langdurige machtsstrijd in de middeleeuwen tussen de keizers en het pausdom had als gevolg dat zich in Italië, en vooral in het noorden, talrijke onafhankelijke samenlevingen of stadstaten konden ontwikkelen. Eigenlijk waren deze stadstaten gedurende de 12de en 13de eeuw oligarchische republieken. Dat wil zeggen; zij werden geregeerd door een kleine elite, met erfelijk geregelde opvolging. Maar in de 14de eeuw werden de stadstaten geplaagd door de bittere gevechten tussen de Guelfen en de Ghibellijnen en tevens door de opkomst van een 'klassenstrijd. In de dreigende chaotische situatie leek een gekozen een-mans regering de enige oplossing te zijn. Soms werd iemand gevraagd om heerser te worden en soms eigende iemand zich de macht toe. Het opvallendste voorbeeld van zo'n machtsgreep vond in Milaan plaats. In 1277 werd een Visconti heerser van de stadstaat en al spoedig daarna werd hij door de keizer erkend als hertog van Milaan. De Visconti bleven van 1277 tot 1447 aan de macht en de traditie van een een-mans regering raakte zo ingeburgerd dat een poging in 1447 om de oude republiek te herstellen faalde. Francesco Sforza slaagde erin om de nieuwe hertog te worden. Hij werd opgevolgd door Lodovico Sforza (bijgenaamd 'Il Moro'= de Moor) die van Milaan misschien wel het schitterendste hof van het laat-vijftiende eeuwse Europa maakte.
Florence werd in de vijftiende eeuw ook door één familie geregeerd ook al was dit minder spectaculair en opvallend. Van 1434 tot 1494 hadden de Medici, een bankiersfamilie, de macht in handen. Maar in Florence was de republikeinse traditie jonger en sterker dan in Milaan. Dat kwam waarlijk omdat de Medici in plaats van het republikeinse ideaal te onderdrukken er juist gebruik van gemaakt hadden. In de laatste jaren van de vijftiende en de eerste jaren van de zestiende eeuw werd in Florence geëxperimenteerd met republikeins beleid.
Er bestond nog altijd geen standaard-regeringsvorm op het schiereiland. Rome in de vijftiende en zestiende eeuw werd ook geregeerd door een monarchie, maar in dit geval een niet-dynastieke, namelijk het pausdom. In theorie oefenden de pausen geestelijke en wereldlijke macht uit over zowel de stad van Rome als de Kerkelijke Staat. Hoewel de paus gekozen werd (door het College van Kardinalen) was hij een monarch. Hij bezat een invloedrijke hof. Hij bepaalde het religieuze en wereldlijke beleid. Daarbij was de paus ook nog een charismatische leider; zijn veronderstelde taak van God gaf hem aanzienlijke macht die andere leiders moesten missen tenzij zij een sterke persoonlijkheid bezaten. Men zou dus kunnen zeggen dat het pausdom een monarchie was met officieel charisma. Enkele van de 16de eeuwse pausen bezaten ook een persoonlijk charisma; Julius II schijnt zo'n paus geweest te zijn. Hij paste goed in de trend van charismatische leiders die zich manifesteerden in tijden van spanning rond de eeuwwisseling: Savonarola (1494-8) en Cesare Borgia (1492-1503) zijn uitstekende laat 15de eeuwse voorbeelden van zulke leiders. Terwijl in sommige steden van Italië een krachtige een-mans regering bestond en men in andere steden experimenteer- de met republikeinse regeringsvormen, bestond daarentegen in Venetië een stabiele oligarchische republiek. In andere stadstaten veranderden de beleidsvormen doorlopend( zelfs in Rome betekende elke wisseling van paus bijna altijd een koerswijziging in het beleid), maar de regeringsvorm van Venetië was onaantastbaar.
Al die constitutionele machtswisselingen zijn het gevolg van de internationale situatie. In de 15de eeuw waren er in Italië vijf belangrijke staten die het schiereiland domineerden: de Twee Sicilië's in het zuiden, de Pauselijke Staten in Midden-Italië en Venetië, Milaan en Florence in het noorden. De kleinere staten zoals Siena, Pisa en Urbino werden geleidelijk door deze reuzen opgeslokt. Vier van deze vijf grote staten waren in feite monarchieën. Men zegt wel eens dat het vijftiende en zestiende eeuwse Italië het prototype was voor het staatssysteem van het zeventiende eeuwse Europa: Een afnemend aantal soevereine staten (ongeveer een dozijn in de zestiende eeuw) probeerde door middel van oorlog of diplomatie hun territorium te handhaven en te vergroten en het 'evenwicht van macht' te wijzigen. In elk geval ontstond in het vijftiende eeuwse Italië de officiële diplomatie.
Tegen het eind van de 15de eeuw bleek dit systeem van staten Italië zeer kwetsbaar te maken voor een aanval van buitenaf. De Habsburger Karel van Bourgondië erfde in 1516 het koninkrijk van Spanje en in 1519 de kroon van het Heilige Roomse Rijk (een niet al te hecht verbond van Duitse staten), en werd zo keizer Karel V. Hij liet de regering van Duitsland over aan zijn broer Ferdinand om zich te kunnen concentreren op zijn strijd met de koningen van Frankrijk. Die strijd werd uitgevochten op Italiaans grond- gebied. De situatie in Italië was verward vanaf de invasie van Karel VIII van Frankrijk in 1494 tot en met en na de plundering van Rome door de legers van keizer Karel V in 1527. In de loop van deze gevechten verwierven beide monarchen aanzienlijke macht over de binnenlandse zaken van de Italiaanse staten.
In de 15de eeuw vond een duidelijke versnelling in de politieke machtswisselingen binnen de staten en in de bonden van staten plaats: De steden probeerden hun onafhankelijkheid te bewaren en hun territorium uit te breiden. Italië had te lijden van machtige lokale en regionale despoten en als gevolg daarvan ontbrak er een centrale leiding die de dreigingen van buiten kon weerstaan.
De toestand in het 16-eeuwse Rome
De toestand in het 16-eeuwse Florence
De toestand in het 16-eeuwse Venetië